Een school is pas goed als de directeur niets doet,
de leraren weinig en de leerlingen alles.
Jan Ligthart

Speciaal onderwijs
Leer- of gedragsproblemen
Voor kinderen die het reguliere onderwijs niet kunnen volgen vanwege leer- of gedragsproblemen, vanwege lichamelijke, zintuiglijke of
verstandelijke handicaps of door gedragsstoornissen zijn er in Nederland drie soorten onderwijs waar ze terecht kunnen. Dit zijn het
speciaal basisonderwijs (SBO) of het speciaal onderwijs (SO) en later het voortgezet speciaal onderwijs (VSO). Naast speciaal onderwijs
bestaat ook inclusief onderwijs, waarbij kinderen met een handicap binnen het reguliere onderwijs extra ondersteund worden.
Speciaal Basisonderwijs (SBO)
Tot 1998 waren de scholen voor kinderen met leer- en gedragsproblemen onderverdeeld in drie groepen:
Kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (LOM)
Moeilijk Lerende Kinderen (MLK)
In hun ontwikkeling bedreigde kleuters (IOBK)
Tegenwoordig wordt er niet meer gesproken over de bovenstaande indeling. In het algemeen wordt gezegd, dat kinderen met een betrekkelijk laag
of laag intelligentieniveau en kinderen die een leerachterstand hebben, naar het SBO gaan. Deze groepen kinderen vallen hiermee onder de Wet
op het Primair Onderwijs (WPO), die de regelgeving voor regulier en speciaal basisonderwijs behandelt.
Kinderen op deze sbo-scholen dienen na het verlaten van deze school dezelfde basiskennis behaald te hebben als kinderen die op een gewone basisschool gezeten hebben, maar ze mogen daar wel langer over doen. Uitlopen kan tot 14 jaar.
Indeling
Voor leerlingen die lichamelijk, zintuiglijk of verstandelijk gehandicapt zijn, is er het zogeheten speciaal onderwijs. Deze scholen zijn
er in vier categorieën (clusters):
Cluster 1: visueel gehandicapte kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen met een visuele handicap
Cluster 2: dove of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden of meervoudig gehandicapte kinderen die één van deze
handicaps hebben
Cluster 3: lichamelijk gehandicapte kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK) en langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap,
of meervoudig gehandicapte kinderen die één van deze handicaps hebben
Cluster 4: zeer moeilijk opvoedbare kinderen ZMOK, langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap en kinderen in scholen
verbonden aan pedologische instituten
Voor deze kinderen is er ook voortgezet speciaal onderwijs. Dit kan gevolgd worden tot het twintigste jaar